Spring naar content
photo-1551176752-07cc6865ef23

Is de wet herziening
partneralimentatie
noodzakelijk?

Al jarenlang wordt in politiek Den Haag gesproken en nagedacht over een aanpassing van de wettelijke partneralimentatie.
Meerdere wetsvoorstellen zijn de afgelopen jaren al gesneuveld. Een nieuw wetsvoorstel van december 2018 ligt nu bij de Eerste Kamer ter goedkeuring, maar de vraag is of deze wet erdoor zal komen gezien de vragen die onlangs door een aantal partijen zijn gesteld. Vanwege de gewijzigde maatschappelijke opvattingen zou onze huidige wet- en regelgeving toe zijn aan een make-over, maar is dat nu werkelijk zo? Zijn de wetsvoorstellen op dit vlak niet ingegeven door verkiezingsperikelen en het winnen van stemmen? Voldoet de huidige wetgeving daadwerkelijk niet meer?

Vanuit mijn praktijk krijg ik de indruk dat de gewone burger een verkeerd beeld heeft van hoe de huidige wetgeving in elkaar zit. Ik hoor telkens weer de veronderstelling van klanten dat er een recht is op het ontvangen van 12 jaar lang alimentatie en daarmee tevens een plicht om een alimentatie ook 12 jaar lang te voldoen. Reeds deze aanname is niet juist. In de huidige wet is opgenomen dat er maximaal 12 jaar lang alimentatie gevraagd/betaald zou kunnen worden (met overigens de mogelijkheid een verlenging te vragen na deze 12 jaar in zeer uitzonderlijke gevallen, welke zich in de praktijk anno nu echter nagenoeg niet voordoen). Dit betekent ‘slechts’ dat er een mogelijkheid bestaat dat een alimentatie 12 jaar betaald dient te worden, maar ook dat de kans groot is dat deze 12 jaar niet wordt volgemaakt. Om dit te begrijpen, is enige kennis van de verdere regelgeving en uitspraken van rechters op dit vlak van belang.

Indien een rechter een vraagstuk van partneralimentatie dient te beantwoorden, is niet alleen van belang wat de alimentatievrager nodig heeft per maand, maar vooral ook wat de alimentatievrager hiervan zelf verdient of zou kunnen verdienen (de zogeheten verdiencapaciteit). Dit laatste houdt in dat van een alimentatievrager wordt verwacht dat deze zich -naar gelang de omstandigheden van die persoon- maximaal inspant om eigen inkomen (uit arbeid of vermogen) te (gaan) genereren. Deze inspanningsplicht van de alimentatievrager is in de afgelopen jaren steeds relevanter geworden en dient ook te worden aangetoond. En juist deze inspanningsplicht is het uitvloeisel van de actuele opvatting dat eenieder zo veel als mogelijk in zijn eigen levensonderhoud moet proberen te voorzien. De wet biedt voort de mogelijkheid aan een rechter om de alimentatietermijn te verkorten/ te beperken in aantal jaren. Ook hiervan wordt door rechters steeds meer gebruik gemaakt en ook dit is een gevolg van de veranderende maatschappelijke opvattingen. Binnen de huidige wet- en regelgeving is er kortom alle ruimte om maatwerk te leveren en alle ruimte om de alimentatie voor een kortere duur vast te stellen. De vraag rijst dan wat een verkorting van de wettelijke maximale termijn daaraan bijdraagt?

In het huidige wetsvoorstel -dat nog door de Eerste Kamer moet worden goedgekeurd- wordt over een maximale termijn van grofweg 10 jaar gesproken als het huwelijk minimaal 15 jaar geduurd heeft en een alimentatievrager geboren is op of voor 1 januari 1970 (aan beiden voorwaarden moet zijn voldaan). Als er kinderen onder de 12 jaar zijn, dan geldt een alimentatieduur tot het moment dat de kinderen 12 jaar oud zijn en dat betekent theoretisch dat de plicht in een dergelijk geval (bij een scheiding met een 0 -jarige baby) toch maximaal 12 jaar zou bedragen. Slechts voor kortere huwelijken en kinderloze huwelijken geldt een kortere termijn dan 10 jaar. In de huidige wetgeving is voor korte huwelijken onder 5 jaar, die kinderloos zijn gebleven, reeds een beperkte maximale alimentatietermijn opgenomen ter hoogte van de huwelijksduur. In het geval een huwelijk kinderloos is gebleven en langer dan 5 jaar heeft geduurd, is er in de huidige wet geen aparte bepaling opgenomen. In een dergelijk geval zal een rechter van een alimentatievrager een grotere inspanningsplicht verlangen en eerder bepalen dat diegene in staat moet zijn voor zichzelf te zorgen. In het wetsvoorstel wordt geen specifieke aandacht besteed aan huwelijken (met of zonder kinderen) die korter hebben geduurd dan 15 jaar. Dit betekent dat bij bijvoorbeeld een huwelijk van 14 jaar, waarbij de kinderen minimaal 13 jaar oud zijn, de hiervoor genoemde regelgeving niet van toepassing is. Voor deze groep zal dan ineens een (beperkte) maximale alimentatietermijn van 5 jaar gaan gelden. De criteria in het wetsvoorstel lijken willekeurig gekozen en brengen rechtsongelijkheid met zich mee. Dit laatste kan mogelijk worden ondervangen door de zogeheten ‘escape clausule’ in het wetsvoorstel. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om een verlenging van de alimentatietermijn te vragen als beeindiging van de alimentatie (van bijvoorbeeld 5 jaar) termijn ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’ niet van de alimentatievrager kan worden gevraagd. Deze verlengingsmogelijkheid is ruim geformuleerd (en veel ruimer dan de huidige wetgeving) en dit zal, naar ik verwacht, juist voor meer gerechtelijke procedures en voortgaande discussies (ook in een scheidingsmediation) gaan zorgen. Het vraagstuk van partneralimentatie blijft maatwerk, dat binnen de huidige wet- en regelgeving, zowel in een gerechtelijke procedure als in een scheidingsmediation, gegeven kan worden. De meest ruime vorm van maatwerk kan uiteraard enkel worden verkregen in een scheidingsmediation, waar contractvrijheid tussen partijen alles bepalend is en waar bijvoorbeeld ook een afkoopsom alimentatie ineens (op fiscaal aantrekkelijke wijze) kan worden overeengekomen.

Mr Anouk Thomas (advocaat en mediator bij KentieThomas -experts in scheiden- te Breda)